Contact    Over J. Brokking
Brokking
 
.net
 
Resultaat door eenvoud
 

 
   Startpagina
   Vraag & antwoord
   Praktische artikelen
   Bedrijfsvoering >
   Wetgeving >
   Normen >
   Explosieveiligheid
   Links & downloads >
   Berekeningen >
   Vercensa
   inspectiesoftware

 
Veel gebruikte termen en definities in de elektrotechniek.

Termen en definities

In de normen voor de elektrotechniek worden veel termen en definities gebruikt. In dit hoofdstuk staan de meeste termen en definities omschreven. Dit kan bij het lezen en begrijpen van de normteksten en deze site helpen.

elektrische installatie

Deze omvat al het elektrisch materieel ten behoeve van de opwekking, het transport, de omzetting, de distributie en het gebruik van elektrische energie. Inbegrepen zijn energiebronnen zoals accu's, batterijen, condensatoren en alle andere bronnen van opgeslagen elektrische energie.

bedrijfsvoering

Alle handelingen met inbegrip van werkzaamheden die noodzakelijk zijn om de elektrische installatie onder normale en onder abnormale omstandigheden te kunnen laten Werken. Tot deze handelingen behoren schakelen, regelen, bewaken en onderhoud evenals elektrotechnische en niet-elektrotechnische werkzaamheden.

risico

Een combinatie van de waarschijnlijkheid en de mate van mogelijk letsel of schade aan de gezondheid van een persoon die is blootgesteld aan één of meer gevarenbronnen.

elektrische gevarenbron

Een bron van mogelijk letsel of gezondheidsrisico die aanwezig is in een elektrische installatie.

elektrisch gevaar

Het risico van letsel veroorzaakt door een elektrische installatie.

letsel (elektrisch)

Dodelijk ongeval of persoonlijk letsel veroorzaakt door een elektrische schok, elektrische verbranding, vlambogen, of door brand of ontploffing die voortkomt uit elektrische energie als gevolg van werkzaamheden aan, met of nabij een elektrische installatie.

aangewezen verantwoordelijke voor de werkzaamheden (werkverantwoordelijke)

In NEN 1010 van 1996 is de term: deskundig persoon. Iemand die is aangewezen als direct verantwoordelijk persoon voor de leiding over werkzaamheden. Voor zover noodzakelijk, mogen delen van deze verantwoordelijkheid worden overgedragen aan anderen.

aangewezen verantwoordelijke voor een elektrische installatie (installatieverantwoordelijke)

In NEN 1010 van 1996 is de term: deskundig persoon Iemand die is aangewezen als direct verantwoordelijk persoon voor de bedrijfsvoering van de elektrische installatie. Voor zover noodzakelijk, mogen delen van deze verantwoordelijkheid worden overgedragen aan anderen.

vakbekwaam persoon

Iemand met relevante opleiding en ervaring waardoor hij of zij in staat is gevaren te voorkomen die door elektriciteit kunnen worden veroorzaakt.

voldoend onderricht persoon

Iemand die voldoende is geïnstrueerd door vakbekwame personen waardoor hij of zij instaat is gevaren te voorkomen die door elektriciteit kunnen worden veroorzaakt

leek of gewoon persoon

Iemand anders dan een vakbekwaam of voldoend onderricht persoon.

bericht of aanwijzing

Mondelinge of geschreven boodschap of aanwijzing over de bedrijfsvoering van een elektrische installatie.

werkplek

De plaats of plaatsen waar werkzaamheden worden, zijn of nog moeten worden uitgevoerd.

nabijheidszone

Een beperkte ruimte rondom de gevarenzone.

gevarenzone

Een bepaalde ruimte rondom actieve delen waarin het isolatieniveau ter voorkoming van elektrisch gevaar niet is gewaarborgd, wanneer deze ruimte zonder beschermingsvoorzieningen wordt binnengegaan.

werkzaamheden

Elke vorm van elektrotechnische of niet-elektrotechnische werkzaamheden waarbij een elektrische gevarenbron aanwezig kan zijn.

elektrotechnische werkzaamheden

Werkzaamheden aan, met of nabij een elektrische installatie, zoals beproeven en meten, repareren, vervangen, aanpassen, uitbreiden, installeren en inspecteren.

niet-elektrotechnische werkzaamheden

Werkzaamheden nabij een elektrische installatie, zoals bouwen, graven, schoonmaken, schilderen.

onder spanning werken

Alle werkzaamheden waarbij een persoon actieve delen kan aanraken of met delen van zijn of haar lichaam of met gereedschappen, hulpmiddelen of (persoonlijke) beschermingsmiddelen, waarmee wordt gewerkt, terechtkomt in de gevarenzone.

werken in de nabijheid van actieve delen

Alle werkzaamheden waarbij een persoon met delen van zijn of haar lichaam, met gereedschap of met een ander voorwerp terechtkomt in de nabijheidszone zonder nog binnen te dringen in de gevarenzone.

scheiden

Volledig vrijmaken van een toestel of stroomkring van andere toestellen of stroomkringen.

spanningsloos

Een spanningswaarde van (vrijwel) 0 V, dat wil zeggen zonder aanwezige spanning en/ of lading.

spanningsloos werken

Werkzaamheden aan een elektrische installatie die zonder spanning of lading is, die worden uitgevoerd nadat alle maatregelen ter voorkoming van elektrisch gevaar zijn genomen.

scherm

Een voorziening, al of niet geïsoleerd, die wordt gebruikt om nadering van materieel of een deel van een elektrische installatie dat gevaar kan opleveren te voorkomen.

afscherming

Een voorziening die bescherming biedt tegen directe aanraking vanuit elke gebruikelijke richting van benadering.

isolerend omhulsel

Een starre of flexibele voorziening van isolerend materiaal die wordt gebruikt om toevallige aanraking te voorkomen van actieve en/ of spanningsloze delen en/ of naastgelegen delen.

omhulsel

Een voorziening ter bescherming van materieel tegen bepaalde uitwendige invloeden en ter bescherming tegen directe aanraking naar alle richtingen.

extra lage spanning (*ELV)

Spanning die normaal niet hoger is dan 50 V bij wisselspanning of 120 V rimpelvrij bij gelijkspanning tussen geleiders of naar aarde.

lage spanning (LV)

Spanning die normaal niet hoger is dan 1.000V bij wisselspanning of 1.500 V bij gelijkspanning.

hoge spanning (HV)

Spanning die normaal hogeris dan 1.000V bij wisselspanning of 1.500 V bij gelijkspanning.

minimale werkafstand

De afstand in lucht die moet worden aangehouden tussen elk deel van het lichaam van een persoon of een geleidend stuk gereedschap dat direct wordt vastgehouden, en enig deel op een verschillend potentiaal, actief of geaard. De minimale werkafstand is de som van de elektrische afstand en de ergonomische component.

elektrische afstand

De afstand in lucht die bescherming biedt tegen elektrische doorslag bij onder spanning werken. In algemene zin is de elektrische afstand de minimale afstand tussen twee elektroden, die actieve en/ of geaarde delen vertegenwoordigen, die ertoe dient dat de waarschijnlijkheid van elektrische doorslag bij blootstelling aan de meest ongunstige elektrische lading die aannemelijkerwijs onder de voorgeschreven omstandigheden mogelijk is, verwaarloosbaar is.

ergonomische component

De afstand in lucht waarbij beperkte afwijkingen zijn toegelaten met betrekking tot beweging en de beoordeling van de afstand tijdens werkzaamheden die op de minimale werkafstand moeten worden uitgevoerd. Hierbij moet rekening worden gehouden met de handelingen van de persoon alsmede met de gereedschappen waarmee moet worden gewerkt.

voedingspunt van de elektrische installatie

Punt waar elektrische energie wordt geleverd aan de elektrische installatie.

omgevingstemperatuur

Gemiddelde temperatuur van lucht of een ander medium in de nabijheid van het materieel.

elektrisch voedingssysteem voor veiligheidsvoorzieningen

Voedingssysteem bestemd om de werking in stand te houden van elektrische installaties en materieel die van belang zijn:
a) voor de gezondheid en veiligheid van personen,
b) voor de gezondheid en veiligheid van levende have en/of
c) indien dit wordt voorgeschreven door de nationale overheid om schade aan de omgeving en ander materieel te vermijden.

elektrische voedingsbron voor veiligheidsvoorzieningen

Elektrische voedingsbron bestemd om te worden gebruikt als onderdeel van een elektrisch voedingssysteem voor veiligheidsvoorzieningen.

elektrische stroomketen voor veiligheidsvoorzieningen

Elektrische stroomketen bestemd om te worden gebruikt als onderdeel van een elektrisch voedingssysteem voor veiligheidsvoorzieningen.

'stand-by' elektrisch voedingssysteem

Voedingssysteem bestemd om, om andere redenen dan veiligheid, de werking van een elektrische installatie of delen daarvan in stand te houden in het geval dat de normale voeding wordt onderbroken.

nominale spanning (van een elektrische installatie)

vastgestelde waarde van de spanning waardoor de elektrische installatie of een deel daarvan wordt gekarakteriseerd.

foutspanning

Spanning die optreedt als gevolg van een isolatiefout tussen het punt waar de fout optreedt en de referentieaarde.

te verwachten aanrakingsspanning

Spanning tussen gelijktijdig bereikbare geleidende delen, wanneer deze geleidende delen niet in aanraking zijn met een mens of een dier

overeengekomen grenswaarde van de te verwachten aanrakingsspanning

Hoogste waarde van de te verwachten aanrakingsspanning die gedurende onbeperkte tijd onder vastgelegde uitwendige invloeden aanwezig mag zijn

(effectieve) aanrakingsspanning

Spanning tussen geleidende delen die gelijktijdig in aanraking zijn met een mens of een dier

fase-fase-spanning / lijnspanning

Spanning tussen twee faseleidingen op een bepaald punt van een elektrische stroomketen.

fase-nul-spanning / fasespanning

Spanning tussen een faseleiding en de nulleiding op een bepaald punt van een a.c. elektrische stroomketen.

fase-aarde-spanning

Spanning tussen een faseleiding en referentieaarde op een bepaald punt van een elektrische stroomketen.

spanning van het aardoppervlak (t.o.v. aarde)

Spanning tussen een bepaald punt op het aardoppervlak en referentieaarde.

ontwerpstroom (IB) (van een elektrische stroomketen)

Elektrische stroom bestemd om door een elektrische stroomketen te lopen bij normaal bedrijf.

foutstroom

Stroom die als gevolg van een isolatiefout loopt langs het punt waar de fout optreedt.

aanrakingsstroom

Elektrische stroom die door een menselijk lichaam of door een lichaam van een dier loopt wanneer deze een of meer bereikbare delen van een elektrische installatie of elektrisch materieel aanraakt.

(continue) hoogst toelaatbare stroom (IZ)

Maximale waarde van de elektrische stroom die onder vastgelegde omstandigheden continu door een geleider, een toestel of een apparaat kan lopen zonder dat de stationaire temperatuur een vastgelegde waarde overschrijdt.

overstroom

Elektrische stroom die de toegekende elektrische stroom overschrijdt.

overbelastingsstroom (van een elektrische stroomketen)

Overstroom in een elektrische stroomketen die niet is veroorzaakt door een kortsluiting of door een aardfout.

kortsluitstroom

Elektrische stroom in een bepaalde kortgesloten stroomketen.

overeengekomen aanspreekstroom (van een beveiligingstoestel)

Vastgelegde waarde van de elektrische stroom die het beveiligingstoestel binnen een vastgelegde tijd doet aanspreken.

overeengekomen niet-aanspreekstroom (van een beveiligingstoestel)

Vastgelegde waarde van de elektrische stroom die het beveiligingstoestel gedurende een bepaalde vastgelegde tijd kan voeren zonder aan te spreken.

verschilstroom

Algebraïsche som van de waarden van de elektrische stromen in alle actieve geleiders op hetzelfde moment op een bepaald punt in een elektrische stroomketen in een elektrische installatie.

lekstroom

Elektrische stroom in een ongewenst geleidend pad onder normale bedrijfsomstandigheden.

stroom in de beschermingsleiding

Elektrische stroom die optreedt in een beschermingsleiding, zoals een lekstroom of een elektrische stroom als gevolg van een isolatiefout.

elektrische schok

Fysiologisch effect als gevolg van een elektrische stroom die door het lichaam van een mens of een dier loopt.

bescherming tegen elektrische schok

Voorzorgsmaatregelen die het risico van een elektrische schok beperken.

directe aanraking

Aanraking van actieve delen door personen of dieren.

indirecte aanraking

Aanraking door personen of dieren van metalen gestellen die door een fout onder spanning staan.

basisbescherming

Bescherming tegen elektrische schok onder omstandigheden waarin geen fout is opgetreden.

foutbescherming

Bescherming tegen elektrische schok bij een enkele fout.

aanvullende bescherming

Beschermingsmaatregel in aanvulling op basis- en/of foutbescherming.

actief deel

Geleider of geleidend deel bestemd om bij normaal bedrijf onder spanning te staan, met inbegrip van de nulleiding, maar volgens afspraak niet een PEN-leiding, een PEM-leiding of een PEL-leiding.

geleidend deel

Deel dat elektrische stroom kan voeren.

aanraakbaar geleidend deel / metalen gestel

Geleidend deel van materieel dat aanraakbaar is en gewoonlijk niet onder spanning staat, maar door een fout in de fundamentele isolatie onder spanning kan komen te staan.

vreemd geleidend deel

Geleidend deel dat geen deel uitmaakt van de elektrische installatie en dat oorzaak kan zijn van een elektrische potentiaal, in het algemeen de elektrische potentiaal van de plaatselijke aarde.

gelijktijdig bereikbare delen

Geleiders of geleidende delen die gelijktijdig kunnen worden aangeraakt door een persoon of een dier.

gevaarlijk actief deel

Actief deel dat, onder bepaalde omstandigheden, een gevaarlijke elektrische schok kan geven.

fundamentele isolatie

Isolatie van gevaarlijke actieve delen die basisbescherming biedt.

extra isolatie

Onafhankelijke isolatie die, in aanvulling op fundamentele isolatie, voor foutbescherming wordt gebruikt.

dubbele isolatie

Isolatie die zowel fundamentele als extra isolatie omvat.

versterkte isolatie

Isolatie van gevaarlijke actieve delen die een gelijkwaardige bescherming biedt tegen elektrische schok als dubbele isolatie.

automatische uitschakeling van de voeding

Onderbreking van een of meer faseleidingen door het automatisch aanspreken van een beveiligingstoestel bij het optreden van een fout.

handbereik

Bereikbaar gebied dat een persoon in elke richting zonder hulpmiddelen met de hand kan aanraken vanaf elk punt op het oppervlak waar gewoonlijk personen staan of bewegen.

omhulsel

Behuizing die het soort en de graad van bescherming biedt geschikt voor de bedoelde toepassing.

bescherming door beperking van de stroom in stationaire toestand en van de ontladingsenergie

Bescherming tegen elektrische schok door de elektrische stroomketen of het materieel zo te ontwerpen dat onder normale omstandigheden en bij het optreden van fouten de stroom in stationaire toestand en de ontladingsenergie zijn beperkt tot beneden een gevaarlijk niveau.

beschermende impedantie

Onderdeel of samenstel van onderdelen waarvan de impedantie en constructie zijn bestemd om de stationaire stroom en de elektrische ontladingsenergie te beperken tot ongevaarlijke niveaus.

niet-geleidende omgeving

Voorziening waarbij een persoon die of een dier dat een metalen gestel dat onder gevaarlijke spanning staat aanraakt, wordt beschermd door de hoge impedantie van deze omgeving (bijvoorbeeld geïsoleerde wanden en vloeren) en door de afwezigheid van geaarde geleidende delen.

referentieaarde

Deel van de aarde dat als geleidend wordt beschouwd en waarvan de potentiaal volgens afspraak als nul wordt aangenomen, en dat buiten de invloedssfeer ligt van welke aardingsvoorziening dan ook.

(plaatselijke) aarde

Deel van de aarde dat in elektrisch contact staat met een aardelektrode en waarvan de elektrische potentiaal niet noodzakelijk gelijk aan nul is.

aarden, werkwoord

Het maken van een elektrische verbinding tussen een bepaald punt in een systeem, een installatie of materieel en plaatselijke aarde.

aardingsvoorziening

Alle elektrische verbindingen en toestellen die betrokken zijn bij het aarden van een systeem, een installatie of materieel.

aardelektrode

Geleidend deel dat in de grond kan liggen of in een bepaald geleidend medium, bijvoorbeeld beton of cokes, en dat in elektrisch contact staat met de aarde.

aardnet

Deel van een aardingsvoorziening dat alleen de aardelektroden en de daarbij behorende (onderlinge) verbindingen omvat.

aardelektrode zonder wederzijdse beïnvloeding / verre aarde

Aardelektrode die op een zodanige afstand van andere aardelektroden is geplaatst dat zijn elektrische potentiaal niet aanzienlijk wordt beïnvloed door elektrische stromen die lopen tussen aarde en andere aardelektroden.

fundatieaardelektrode

Geleidend deel, over het algemeen in de vorm van een gesloten lus, dat is aangebracht in de grond onder een fundatie van een gebouw of, bij voorkeur, in het beton van de fundatie van een gebouw.

veiligheidsaarding

Aarding van een punt of punten in een systeem, een installatie of materieel voor elektrische veiligheid.

functionele aarding

Aarding van een punt of punten in een systeem, een installatie of materieel om andere redenen dan elektrische veiligheid.

bedrijfsaarding (van het net)

Functionele aarding en veiligheidsaarding van een punt of punten in een voedingssysteem.

aardleiding

Geleider die een geleidend pad of een deel van een geleidend pad tot stand brengt tussen een bepaald punt in een systeem, een installatie of materieel en een aardelektrode of aardnet.

parallelle aardleiding

Geleider die gewoonlijk langs de kabelroute wordt gelegd om een verbinding met lage impedantie tot stand te brengen tussen de aardingsvoorzieningen en het begin en het einde van de kabelroute.

retouraarde(pad)

Elektrisch geleidend pad tussen aardingsvoorzieningen dat tot stand wordt gebracht door:
a) de aarde,
b) geleiders of
c) geleidende delen

hoofdaardrail / hoofdaardklem

Aardrail of aardklem die een deel vormt van een aardingsvoorziening van een installatie en die de elektrische verbinding voor aarding mogelijk maakt tussen een aantal geleiders.

impedantie naar aarde

Impedantie bij een bepaalde frequentie tussen de referentieaarde en een vastgelegd punt in een systeem, een installatie of materieel.

weerstand naar aarde

Reëel deel (ohmse deel) van de impedantie naar aarde.

potentiaalgelijkheid

Toestand waarin geleidende delen nagenoeg dezelfde potentiaal hebben.

(potentiaal)vereffening

Voorziening van elektrische verbindingen tussen geleidende delen bestemd om potentiaalgelijkheid te bereiken.

beschermende (potentiaal)vereffening

(potentiaal)vereffening voor veiligheid.

functionele (potentiaal)vereffening

(potentiaal)vereffening om andere redenen dan veiligheid.

beschermingsleiding (PE)

Geleider die is aangebracht voor veiligheid, bijvoorbeeld voor bescherming tegen elektrische schok.

veiligheidsaardleiding

Beschermingsleiding voor veiligheidsaarding.

beschermende vereffeningsleiding

Beschermingsleiding voor beschermende (potentiaal)vereffening.

PEN-leiding

Geleider die zowel de functie heeft van veiligheidsaardleiding als van nulleiding.

PEM-leiding

Geleider die zowel de functie heeft van veiligheidsaardleiding als van middenaftakkingsleiding.

PEL-leiding

Geleider die zowel de functie heeft van veiligheidsaardleiding als van faseleiding.

(potentiaal)vereffeningsklem

Klem aangebracht op materieel of op een toestel voor de elektrische verbinding met het (potentiaal)vereffeningssysteem.

(potentiaal)vereffeningsrail

Rail die een onderdeel is van een (potentiaal)vereffeningssysteem en die de elektrische verbinding mogelijk maakt tussen een aantal geleiders voor (potentiaal)vereffening.

hoofdaardklem-/hoofdaardrailleiding

Een geleider (of rail) die met de hoofdaardklem of hoofdaardrail is verbonden.

(elektrische) stroomketen (van een elektrische installatie)

Samenstel van elektrisch materieel van de elektrische installatie dat tegen overstromen is beveiligd door hetzelfde beveiligingstoestel of dezelfde beveiligingstoestellen.

distributiegroep

Elektrische stroomketen die een of meer schakel- en verdeelinrichtingen voedt.

eindgroep

Elektrische stroomketen bestemd om rechtstreeks elektrische stroom te leveren aan elektrische toestellen of contactdozen.

middenaftakking

Gemeenschappelijk punt tussen twee symmetrische delen van een stroomketen waarvan de tegenoverliggende einden elektrisch zijn verbonden met verschillende faseleidingen van dezelfde stroomketen.

nulpunt

Gemeenschappelijk punt van:
a) een meerfasesysteem in sterschakeling of
b) een geaarde middenaftakking in een tweefasesysteem of
c) een geaard punt in een eenfasesysteem

geleider

Geleidend deel bestemd om een vastgelegde elektrische stroom te voeren.

nulleiding

Geleider die elektrisch met het nulpunt is verbonden en die kan bijdragen aan de distributie van elektrische energie.

middenaftakkingsleiding

Geleider die elektrisch met de middenaftakking is verbonden en die kan bijdragen aan de distributie van elektrische energie.

faseleiding

Geleider die tijdens normaal bedrijf onder spanning staat en die kan bijdragen aan de distributie van elektrische energie en die geen nulleiding of middenaftakkingsleiding is.

kortsluiting

Onopzettelijk of opzettelijk geleidend pad tussen twee of meer geleidende delen dat het elektrische potentiaalverschil tussen deze geleidende delen terugdringt tot nul of nagenoeg nul.

fase-aarde-kortsluiting

Kortsluiting tussen een faseleiding en de aarde in een stelsel met direct geaarde nul of door impedantie geaarde nul.

fase-fase-kortsluiting

Kortsluiting tussen twee of meer faseleidingen al dan niet in combinatie met een fase-aarde-kortsluiting op hetzelfde punt.

aardfout

onopzettelijk ontstaan van een geleidend pad tussen een actieve geleider en aarde.

beveiligingstoestel tegen overstroom

Toestel dat is aangebracht om een elektrische stroomketen te onderbreken indien de stroom in de geleider een van tevoren vastgestelde waarde gedurende een bepaalde tijd overschrijdt.

intrinsiek bestand zijn tegen kortsluiting en aardfouten (kwalificatie)

Toestand van elektrisch materieel of een samenstel van elektrisch materieel dat is beschermd tegen kortsluiting en aardfouten door een geschikt ontwerp en de getroffen voorzorgsmaatregelen bij installatie.

leidingsysteem

Samenstel van een of meer installatiedraden, kabels of rails en de (onder)delen die zijn bestemd voor de bevestiging en, indien noodzakelijk, de mechanische bescherming.

holle ruimte in gebouw

Ruimte in de constructie of in de elementen van een gebouw die alleen vanaf bepaalde plaatsen toegankelijk is.

buis

deel van een gesloten leidingsysteem dat in het algemeen een cirkelvormige doorsnede heeft en geschikt is om de volgende leidingen in te trekken of te vervangen:
a) installatiedraad;
b) kabels van elektrische installaties;
c) kabels van telecommunicatie-installaties.

kabelgoot

Systeem van gesloten omhulsels bestaande uit een basisdeel en een verwijderbaar deksel bestemd om installatiedraad en kabels volledig af te schermen en/of om ander elektrisch materieel met inbegrip van materieel voor elektronische communicatie in onder te brengen

kabelkoker

Systeem van gesloten omhulsels met een niet-cirkelvormige doorsnede om installatiedraad en kabels van elektrische installaties in te kunnen trekken en te kunnen vervangen

kabelkanaal

Open, geventileerd of gesloten onderdeel van een leidingsysteem dat zich bovengronds of ondergronds of in de vloer bevindt en met zodanige afmetingen dat personen geen toegang kunnen hebben, maar buizen en/of kabels tijdens of na het installeren over hun gehele lengte toegankelijk blijven

kabeltunnel

Gang van zodanige afmetingen dat personen zich over de gehele lengte kunnen voortbewegen en die ondersteuningen bevat voor kabels en hun verbindingen en/of andere delen van leidingsystemen

kabelbaan

Ononderbroken kabelondersteuning met opstaande randen, maar zonder deksel

kabelladder

Kabelondersteuning bestaande uit een aantal dwarsdragers die deugdelijk zijn bevestigd aan langsdragers.

kabelsteunen

Horizontale kabelondersteuningen die slechts aan één zijde en op een bepaalde afstand van elkaar zijn bevestigd en waarop kabels liggen.

beugels / zadels

Bevestigingsmiddelen die op een bepaalde afstand van elkaar zijn aangebracht om kabels of buizen vast te zetten.

installatiedraad

Geïsoleerde geleider bestemd voor toepassing in buis of in een ander beschermend omhulsel.

kabel

samenstel van een of meer geïsoleerde geleiders met:
a) hun individuele bedekking (indien aanwezig),
b) bescherming over de samenslag (indien aanwezig),
c) beschermende lagen (indien aanwezig)

buigzame leiding

Kabel die door zijn constructie en materiaal geschikt is om herhaaldelijk te worden gebogen tijdens gebruik.

snoer

Buigzame leiding waarvan het aantal geleiders beperkt is en de geleiders een kleine kerndoorsnede hebben.

geïsoleerde leidingen

Verzamelnaam voor kabels en geïsoleerde geleiders.

leiding

Al dan niet geïsoleerde geleider of een samenstel daarvan.

elektrisch materieel

Onderdeel dat wordt toegepast bij de opwekking, de omzetting, het transport, de distributie of de toepassing van elektrische energie, zoals elektrische machines, transformatoren, schakel-, beveiligings- en besturingsmaterieel, meetinstrumenten, leidingsystemen en elektrische toestellen.

elektrische toestellen

Elektrisch materieel dat is bestemd voor het omzetten van elektrische energie in energie van een andere vorm zoals licht, warmte of bewegingsenergie.

schakel-, beveiligings- en besturingsmaterieel

Elektrisch materieel dat is bestemd om te worden verbonden met een elektrische stroomketen om een of meer van de volgende functies uit te voeren:
a) beveiligen;
b) besturen;
c) scheiden;
d) schakelen.

verplaatsbaar materieel

Elektrisch materieel dat kan worden verplaatst terwijl het in bedrijf is of dat gemakkelijk kan worden verplaatst terwijl het met de voeding is verbonden.

handgereedschap

Elektrisch materieel bestemd om tijdens normaal gebruik in de hand te worden gehouden.

vast opgesteld materieel

Vast bevestigd materieel of elektrisch materieel dat niet is voorzien van een draagbeugel of handvat en dat een zodanige massa heeft dat het niet gemakkelijk kan worden verplaatst.

vast bevestigd materieel

Elektrisch materieel dat is bevestigd op een fundatie of op een andere wijze is gebonden aan een bepaalde plaats.

schakel- en verdeelinrichting

Samenstel dat verschillende types schakel-, beveiligings- en besturingsmaterieel bevat en dat met een of meer uitgaande elektrische stroomketens is verbonden en wordt gevoed door een of meer inkomende elektrische stroomketens samen met de klemmen voor de nul- en de beschermingsleidingen.

scheiden

Functie bestemd om de gehele elektrische installatie of een gedeelte daarvan om veiligheidsredenen spanningsloos te maken door de elektrische installatie of een gedeelte daarvan te isoleren van elke bron van elektrische energie.

inspectie

Alle handelingen waardoor kan worden vastgesteld of de elektrische installatie aan de van toepassing zijnde eisen van NEN 1010 voldoet.

controle

Onderzoek van een elektrische installatie met behulp van de zintuigen om vast te stellen of het elektrisch materieel op de juiste wijze is gekozen en geïnstalleerd.

meting en beproeving

Handelingen in een elektrische installatie om de doeltreffendheid van de installatie te kunnen aantonen.

rapportage

Vastleggen van de resultaten van de controle en van de meting en beproeving.

onderhoud

Combinatie van alle technische en administratieve handelingen, inclusief toezicht, die zijn bedoeld om een onderdeel in een toestand te houden, of deze toestand te herstellen, waarin dat onderdeel een vereiste functie kan vervullen.

Bovenste explosiegrens

Bovenste grens van de concentraties van een brandbare stof in lucht waarin zich een explosie kan voordoen. [naar EN 1127-1]

Categorie

Indeling van bedrijfsmiddelen afhankelijk van de vereiste mate van bescherming. [94/9/EG]

Component

Als "componenten" worden aangeduid onderdelen die essentieel zijn voor de veilige werking van de apparaten en beveiligingssystemen maar geen autonome functie hebben. [RL 1994/9/EG]

Dispersiegraad

Maat voor de (fijnste) verdeling van een vaste of vloeibare stof (dispersum) in een andere vloeibare of gasvormige stof (dispergens) zonder moleculaire verbinding als a�rosol, emulsie, collo�de of suspensie.

Explosie

Plotselinge oxidatie- of slijtingsreactie met het oplopen van de temperatuur, de druk of beide tegelijk. [EN 1127-1]

Explosiedruk (maximale)

Maximale druk die optreedt in een gesloten houder tijdens de explosie van een explosief mengsel, bepaald bij gegeven testcondities. [EN 1127-1]

Explosiedrukbestendig

Eigenschap van houders en bedrijfsmiddelen die zo gebouwd zijn dat ze bestand zijn tegen de te verwachten explosiedruk, zonder blijvend te vervormen. [EN 1127-1]

Explosiedrukgolfbestendig

Eigenschap van houders en bedrijfsmiddelen die zo gebouwd zijn dat ze bestand zijn tegen de te verwachten explosiedruk, zonder te barsten, waarbij evenwel blijvende vervormingen zijn toegestaan. [EN 1127-1]

Explosiedrukontlasting

Voorzorgsmaatregel die de explosiedruk door de uitstoot van onverbrand mengsel en van verbrandingsproducten door het vrijgeven van vooraf bepaalde openingen zodanig beperkt dat de houder, de werkplek of het gebouw niet boven zijn vastgestelde drukbestendigheid (explosiebestendigheid) wordt belast.

Explosief mengsel

Mengsel van een in de gasvormige fase fijn verdeelde brandstof en een gasvormig oxidatiemiddel waarin een explosie zich kan uitbreiden na tot ontsteking te zijn gekomen. Wanneer het bij het oxidatiemiddel om lucht onder atmosferische omstandigheden gaat, wordt gesproken van een explosieve atmosfeer.

Explosiegevaarlijke plaats

Een plaats waar een zodanige explosieve atmosfeer kan voorkomen dat speciale voorzorgsmaatregelen vereist zijn voor de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de betrokken werknemers, geldt als een "explosiegevaarlijke plaats". [RL 1999/92/EG]

Explosiegrenzen

Wanneer de concentratie van de voldoende gedispergeerde brandbare stof in lucht een minimumwaarde (onderste explosiegrens) overschrijdt, is een explosie mogelijk. Een dergelijke explosie doet zich niet meer voor wanneer de gas- of dampconcentratie een maximale waarde (bovenste explosiegrens) heeft overschreden.
Onder meer door atmosferische omstandigheden veranderen de explosiegrenzen. Het concentratiebereik tussen de explosiegrenzen wordt groter, zoals in de regel gebeurt bij een stijgende druk en stijgende temperatuur van het mengsel. Boven een brandbare vloeistof kan alleen een explosieve atmosfeer ontstaan wanneer de temperatuur van het vloeistofoppervlak een minimumwaarde overschrijdt.

Explosiegroep

Gassen en dampen worden afhankelijk van hun verdelingsbovengrens (in een genormeerd apparaat wordt de vraag of een explosievlam kan doorslaan bepaald door de omvang van de kier) en hun minimale onstekingsstroom (stroom die in een genormeerd apparaat tot een ontsteking leidt) in drie groepen onderverdeeld (II A, II B, II C, waarbij II C de groep met de geringste verdelingsbovengrens is).

Explosieve atmosfeer

Als "explosieve atmosfeer" geldt een mengsel van lucht en brandbare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden, waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet verbrande mengsel. [RL 1999/92/EG]
Opgemerkt zij dat een door de richtlijn gedefinieerde explosieve atmosfeer niet snel genoeg mag branden om een explosie te veroorzaken, als gedefinieerd door EN 1127-1.

Gevaarlijke explosieve atmosfeer

Explosieve atmosfeer die zich voordoet wanneer er sprake is van gevaarlijke hoeveelheden.

Gevaarlijke hoeveelheden

Explosieve atmosfeer in een hoeveelheid die de gezondheid en de veiligheid van werknemers of anderen in gevaar kan brengen. [1999/92/EG]
Reeds 10 liter explosieve atmosfeer als samenhangende hoeveelheid moet in gesloten ruimten onafhankelijk van de grootte van de ruimte in de regel als gevaarlijk worden beschouwd.

Hybride mengsel

Mengsel van lucht en brandbare stoffen in verschillende aggregaattoestanden, bijvoorbeeld methaan en koolstof in lucht. [EN 1127-1]

Inrichtingen voor de ontlasting van de explosiedruk

Inrichting die bij normaal bedrijf een ontlastingsopening sluit en in geval van explosie vrijgeeft.

Korrelgrootte

Nominale diameter van een stofdeeltje.

Maximaal toelaatbare oppervlaktetemperatuur

Maximaal toelaatbare temperatuur van een oppervlakte (b. v. van een bedrijfsmiddel) die wordt verkregen door het aftrekken van een vastgestelde temperatuurwaarde van de ontstekings- en/of gloeitemperatuur.

Niet-explosiegevaarlijke plaats

Een plaats waar een explosieve atmosfeer, in die mate dat speciale voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn, niet te verwachten is, geldt als "niet-explosiegevaarlijke plaats". [RL 1999/92/EG]

Onderste explosiegrens

Onderste grens van de concentraties van een brandbare stof in lucht waarin zich een explosie kan voordoen. [EN 1127-1]

Ontstekingsbron

Een ontstekingsbron geeft aan een explosief mengsel een bepaalde energiehoeveelheid af die ervoor zorgt dat de ontsteking zich in dit mengsel kan verspreiden.

Ontstekingstemperatuur

De laagste temperatuur van een heet oppervlak waarbij onder gegeven testcondities ontsteking plaatsvindt van een brandbare stof in de vorm van een gas/lucht-, damp/lucht- of stof/lucht-mengsel. [EN 1127-1]

Oppervlakken voor de ontlasting van de explosiedruk

Het geometrische ontlastingsoppervlak van een inrichting voor de ontlasting van de explosiedruk. Q-buis
De zogenaamde Q-buizen kunnen verderop in de inrichtingen voor de ontlasting van de explosiedruk worden geplaatst. Door een speciaal draadweefsel wordt de explosievlam onderbroken en breidt zich niet buiten de Q-buis uit.

Smeulpunt

Het smeulpunt is de temperatuur waarboven de vorming van een explosief mengsel te verwachten is door de gassen die afkomstig zijn van carbonisatie bij lage temperatuur. [VDI 2263]

Soort ontstekingsbeveiliging

De bijzondere maatregelen die worden getroffen bij bedrijfsmiddelen om de ontsteking van een omringde explosieve atmosfeer te voorkomen. [naar EN 50014]

Stoffen die een explosieve atmosfeer kunnen vormen

Ontvlambare en/of brandbare stoffen gelden als stoffen die een explosieve atmosfeer kunnen vormen, tenzij uit onderzoek naar de eigenschappen ervan blijkt dat zij in combinatie met lucht geen explosie zelfstandig kunnen voortplanten. [RL 1999/92/EG]

Technisch dicht

Technisch dicht zijn installatieonderdelen als bij een voor de toepassing geschikt dichtheidsonderzoek of observatie of controle van de dichtheid, bijvoorbeeld met schuimvormende middelen of met lekdetectie- of afleesinstrumenten, geen lek te onderscheiden is, maar zelden voorkomende geringe ontsnappingen van brandbare stoffen niet uitgesloten kunnen worden.

Temperatuurklasse

Bedrijfsmiddelen worden op grond van hun maximale oppervlaktetemperatuur ingedeeld in temperatuurklassen. In analogie daarmee vindt een indeling van gassen plaats op basis van hun ontstekingstemperaturen.

Vlampunt

Laagste temperatuur waarbij zich onder voorgeschreven testcondities uit een vloeistof zoveel brandbaar gas of brandbare damp ontwikkelt dat bij contact met een actieve ontstekingsbron terstond een vlam ontstaat. [EN 1127-1]

Zone-indeling

Explosiegevaarlijke plaatsen worden op grond van de frequentie en duur van het optreden van een explosieve atmosfeer in zones onderverdeeld. [RL 1999/92/EG]

Zones

zie "zone-indeling"

Zuurstofgrensconcentratie

Maximale zuurstofconcentratie in een mengsel van een brandbare stof met lucht waarin zich geen explosie voordoet, bepaald onder gegeven testcondities. [EN 1127-1]


 

Brand!!
Wees voorbereid
en voorkom een
juridische nasleep.
 

De nieuwe
NEN 3140:2011
is gepubliceerd.
 
Wat verandert er
nu werkelijk?